Goud Sparen,Goud Kopen,Goudrekening
Geld zoals geld bedoeld is ! FGA NL, FysiekGoudAdvies Nederland

Geschiedenis van de moderne gouden standaard

De inburgering van gouden standaarden verliep geleidelijk aan. Dit heeft geleid tot conflicten tussen verschillende economische historici in verband met wanneer de "echte" gouden standaard begon. De gouden standaard heeft in ieder geval zijn oorsprong in Groot-Brittannië en dit land heeft ook later in de geschiedenis een vitale rol gespeeld in het verloop rond de gouden standaard. Isaac Newton nam een verhouding tussen goud en zilver op in zijn analyse van de muntslag in 1717 hetgeen tot een relatie tussen gouden muntstukken en de zilveren penny leidde die de standaardrekeneenheid in de wet van Koningin Anne zou worden; voor sommige historici is dit het begin van de "gouden standaard" in Engeland. Meer algemeen aanvaard is echter dat een volledige gouden standaard vereist dat er één bron van biljetten en wettige betaalmiddelen is, en dat deze bron door omzetbaarheid in goud wordt gedekt. Aangezien dit in de 18e eeuw niet het geval was, is de algemeen aanvaarde visie dat Engeland op dat moment geen gouden standaard voerde.

Eind 18e eeuw werd veel zilver aan de economieën van westelijk Europa en de Verenigde Staten onttrokken. Redenen hiervoor waren oorlogen en handel met China, dat aan Europa verkocht, maar zelf weinig behoefte had aan Europese goederen. De muntstukken werden geslagen in kleinere en kleinere bedragen, en er was een snelle verbreiding van bank- en voorraadnota's die als geld werden gebruikt.

In de jaren 90 van de 18e eeuw leed Engeland aan een hevig tekort aan zilveren munten en stopte met het slaan van grotere zilveren muntstukken, gaf "symbolische" zilveren muntstukken uit en sloeg buitenlandse muntstukken om. Met het eind van de napoleontische oorlogen begon Engeland met een intensief hermuntingsprogramma, dat tot standaard gouden soevereinen en circulerende kronen en half-kronen, en uiteindelijk in 1821 koperen farthings leidde. De hermunting van zilver in Engeland na een lange stilte veroorzaakte een uitbarsting van muntstukken: Engeland sloeg bijna 40 miljoen shillings, 17 miljoen halve kronen en 1,3 miljoen zilveren kronen tussen 1816 en 1820. De "akte voor het hervatten van geldbetalingen in contanten" in 1819 stelde 1823 vast als datum voor hervatten van inwisselbaarheid, dit werd echter 1821 bereikt. Gedurende de jaren 20 van de 19e eeuw werden kleine biljetten uitgegeven door regionale banken, die uiteindelijk in 1826 werden beperkt, terwijl de Bank van Engeland werd toegestaan regionale takken op te zetten. In 1833 werden biljetten van de Bank van Engeland echter wettelijke betaalmiddel gemaakt, en de afkoop door andere banken werd afgeraden. In 1844 bepaalde de "Bankhandvestakte" dat biljetten van de Bank van Engeland, die volledig door goud werden gesteund, de wettelijke norm waren. Volgens de strikte interpretatie van de gouden standaard merkt deze handeling 1844 aan als de totstandbrenging van een volledige gouden standaard voor Brits geld.

De VS keurden in 1785 een zilveren norm goed die op de "Spaanse gemalen dollar" was gebaseerd. Dit werd vastgelegd in de "Akte van Munt en Muntslag" uit 1792 en alsook doordat de federale overheid de "Bank of the United States" begon te gebruiken om zijn reserves te deponeren, evenals een vaste verhouding van goud tot de Amerikaanse dollar vast te leggen. Dit was in feite een afgeleide zilveren norm, aangezien de bank niet vereist was om zilver achter de hand te hebben om zijn munt te steunen. Dit was het begin van een lange reeks pogingen van Amerika om een bimetaalnorm voor de Amerikaanse dollar tot stand te brengen, die tot de jaren 20 zou voortduren. Gouden en zilveren muntstukken waren wettelijk betaalmiddel, met inbegrip van de Spaanse real, een zilveren muntstuk dat op het westelijke halfrond werd geslagen. Wegens de reusachtige schuld die de federale overheid over had gehouden aan het financieren van de onafhankelijkheidsoorlog, raakten de zilveren muntstukken die door de overheid werden geslagen uit circulatie, waarna president Jefferson in 1806 het slaan van zilveren muntstukken opschortte.

De Amerikaanse schatkist werd gezet op een strikte harde geldnorm, waarbij ze alleen opereerden in louter gouden of zilveren muntstukken als deel van de Onafhankelijke Schatkistakte van 1848, dat op juridische wijze de rekeningen van de federale overheid van het bankwezen-systeem scheidde. De vaste geldverhouding van zilver met betrekking tot goud waardeerde echter het zilver te hoog in met betrekking tot de vraag naar goud voor aan handel over of lening van Engeland. Het afvloeien van goud ten gunste van zilver leidde tot goud zoeken, met inbegrip van de "Californische goudkoorts" in 1849. Volgens de wet van Gresham stroomde zilver de VS in, dat met andere zilvernaties handel dreef, ging goud het land uit. In 1853 verlaagden de VS het zilvergewicht in muntstukken om ze in omloop te houden, en in 1857 werd de status van wettelijke betaalmiddel buitenlandse munten ontnomen.

In 1857 begon de definitieve crisis van het era van het vrije bankwezen van internationale financiën; toen Amerikaanse banken de betalingen in zilver stopzetten, dat door het zeer jonge internationale financiële systeem van centrale banken golfde. In de Verenigde Staten was deze instorting een medebepalende factor in de Amerikaanse Burgeroorlog, en in 1861 stopte de overheid van de VS betaling in goud en zilver, waarmee de pogingen om een zilveren standaardbasis voor de dollar te vormen effectief beëindigd waren. Gedurende 1860-1871 werden diverse pogingen gedaan om bimetaalnormen te doen herleven, met inbegrip van één gebaseerd op de gouden en zilveren frank, echter, met de snelle toevloed van zilver uit nieuwe afzettingen, eindigde de verwachting dat zilver schaars was.

De interactie tussen het centrale bankwezen en de muntbasis vormde de primaire bron van monetaire instabiliteit tijdens deze periode. De combinatie van factoren die economische stabiliteit veroorzaakte was een beperking van de aanmaak van nieuwe biljetten, een overheidsmonopolie op het uitgeven van biljetten hetzij direct of indirect en een centrale bank en één enkele waarde-eenheid. Pogingen om deze voorwaarden te vermijden veroorzaakten periodieke monetaire crises - zoals gedevalueerde biljetten, of zilver dat uit omloop raakte als waarde opslag, of er was een depressie omdat overheden die muntgeld eisten als betaling, het ruilmiddel uit de economie afvoerden. Tezelfdertijd was er een dramatisch toegenomen behoefte aan krediet, en grote banken werden ingehuurd in diverse staten, met inbegrip van, in 1872Japan. De behoefte aan een stevige basis in monetaire zaken zou in de periode die volgde leiden tot een snelle omarming van de gouden standaard.

 

Totstandbrenging de internationale gouden standaard (1871-1900)

Volgend op de Frans-Pruisische oorlog was Duitsland als verenigd land ontstaan en voerde het de Reichsmark, die op een strikte gouden standaard was gebaseerd. Om het geldaanbod uit te breiden werd goud uit Zuid-Afrika gebruikt. Andere naties volgden snel omdat goud een transporteerbaar, universeel en stabiele waarde-eenheid was. Zie globalisatie.

In de jaren 70 van de 19e eeuw leidde de aan deflatie en laagconjunctuur lijdende economie tot periodieke vraag naar zilveren valuta. Dergelijke pogingen faalden over het algemeen echter, en zetten de algemene druk richting een gouden standaard voort. Tegen 1879 werden in de Latijnse muntunie, die uit FrankrijkItaliëBelgië,Zwitserland en later Griekenland bestond, nog louter gouden muntstukken geaccepteerd, alhoewel in deze Latijnse muntunie zilver, in theorie althans, een betaalmiddel was.

Door een standaardrekeneenheid te creëren die gemakkelijk afkoopbaar was, vrij stabiel in hoeveelheid en meetbaar in zijn zuiverheid, leidde de gouden standaard een periode van fors uitdijende handel in tussen geïndustrialiseerde naties en "periferienaties" (die landbouwgoederen, de zogenaamde "broodmanden", produceerden). Dit "eerste tijdperk van globalisering" was echter niet zonder problemen. Dramatisch was de hongersnood in Ierland, waar de bevolking begon te verhongeren doordat het voordeliger was om voedsel naar Groot-Brittannië uit te voeren. Het resultaat veranderde een mislukte oogst wegens een aardappelziekte direct in een humanitaire ramp. Amartya Sen theoretiseerde in zijn werk aangaande hongersnoden dat hongersnoden door een verhoging van de prijs van voedsel en niet door voedseltekort zelf worden veroorzaakt. Vandaar dat de achterliggende oorzaak van handel gebaseerde hongersnood een onevenwichtigheid in rijkdom tussen de voedselexporteur en de voedselimporteur is.

Tezelfdertijd veroorzaakte het een dramatische daling van de geaggregeerde vraag en een reeks lange depressies in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Dit zou niet verward moeten worden met gefaalde industrialisatie of vertraging goederenproductie. Aldus omvatten de pogingen om alternatieve munten te scheppen de introductie van de postwissel in Groot-Brittannië in 1881, die later wettelijk betaalmiddel tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gemaakt, en de Greenback-partij in de VS, die uitstel van de afschaffing van papiergeld dat niet door goud werd gedekt bepleitte.

Door industriële specialisatie aan te moedigen, groeiden de industrialiserende landen snel in bevolking, en vergden daarom bronnen waar landbouwgoederen vandaan gehaald konden worden. De behoefte aan goedkope landbouwinvoer zette beurtelings staten verder onder druk om importheffingen en andere handelsbarrières te verminderen, om zo met industriële naties kapitaalgoederen, zoals fabrieksmachines, te kunnen handelen. Deze waren nodig om te industrialiseren. Uiteindelijk zette dit druk op belastingstelsels en duwde landen van tarieven, naar een inkomsten- en verkoopbelastingenstelsel. Het veroorzaakte ook een constante neerwaartse druk op lonen, die tot de "ondraaglijke pijn van industrialisatie" bijdroegen. De rol van de gouden standaard in dit proces blijft een verhit debat, waarbij vandaag de dag nog altijd nieuwe artikelen gepubliceerd worden, die de interconnectie tussen monetaire basis, lonen en levensstandaarden proberen te vinden.

Data waarop landen een gouden standaard invoerden

Duitsland 1871

Latijnse Muntunie 1873 (België, Italië, Zwitserland, Frankrijk)

Verenigde Staten 1873 (de facto)

Scandinavië 1875 bij muntunie: Denemarken, Noorwegen en Zweden

Nederland 1875

Frankrijk intern 1876

Spanje 1876

Oostenrijk 1879

Rusland 1893

Japan 1897

India 1898

Verenigde Staten 1900 (wettelijk)

Mexico 1905.

In de jaren 90 van de 19e eeuw was er in de Verenigde Staten een reactie tegen de gouden standaard, gecentreerd in het zuidwesten en de Great Plains, ontstaan. Vele landbouwers begonnen de schaarste van goud, vooral buiten de bankencentra in het oosten, als een instrument te zien om oostelijke bankiers tot kredietbeperkingen aan te sporen. Dit zou westelijke landbouwers diep in de schulden duwen en zo leiden tot een consolidatie van westelijk bezit in de handen van de gecentraliseerde banken. De vorming van de Populistische Partij in Lampasas te Texas had specifiek van doen met het gebruik van "gemakkelijk geld" dat niet door goud werd gedekt en daardoor gemakkelijker door regionale en landelijke banken kon vloeien, en zo landbouwers toegang tot benodigde kredieten verlenen. Het verzet tegen de gouden standaard tijdens deze periode bereikte zijn climax met de presidentiële campagne van de democraat William Jennings Bryan uit Nebraska. Bryan pleitte tegen de gouden standaard in zijn "gouden-kruistoespraak" in 1896, waarbij hij de gouden standaard (en specifiek de gevolgen ervan voor westelijke landbouwers) vergeleek met de doornenkroon die Jezus bij zijn kruisiging droeg. Na in 1896 verslagen te zijn, deed Bryan opnieuw mee in 1900 en 1908 en verloor beide keren, waarbij hij elke keer veelal staten in het zuiden en op de Great Plains meekreeg.

De belangrijkste verandering in deze periode was de omarming van een monetair beleid dat de rentevoeten verhoogde in antwoord op wegvloeien van goud, of anders grote voorraden goud in de reserves van de centrale bank te handhaven. Dit beleid leidde tot een sterk vertrouwen in de toewijding die de monetaire beleidsvoerders hadden, met betrekking tot de gouden standaard. Volgens Lawrence Officer en Alberto Giovanni is dit zichtbaar uit het verband tussen het ratio Bank van Engeland, en de interactie tussen het pondmark en de frank. Van 1889 tot 1908, handhaafde het pond 99% van de tijd een directe verhouding van de bankdiscontoregel met dollar, en 92% van de tijd met de mark. Aldus was, overeenstemmend met de theorie van de monetaire dynamica van de gouden standaard, de sleutel tot deze geloofwaardigheid de bereidheid van de Bank van Engeland om aanpassingen aan de discontovoet te maken om de Stirling met andere aan goud gekoppelde munten te stabiliseren (de De facto standaard van de wereld). Gedurende de piekperiode van de gouden standaard, 360 maanden, heeft de Bank van Engeland het bankdisconto meer dan 200 keer aangepast in reactie op de goudstromen en dit is veel vaker dan de huidige centrale banken dit doen.

Introductie van de gouden standaard in Nederland

 

Nederlands muntbiljet uit 1875

Toen in 1795 Franse troepen Nederland bezetten namen zij als betaalmiddel assignaten mee, die door de Franse staat in goud gedekt zouden zijn. Helaas kwam hier niets van terecht en bleef men in Nederland met grote stapels waardeloos papier zitten. Het gevolg was dat in Nederland het vertrouwen in bankbiljetten weg was; pas na de Eerste Wereldoorlog zou dit weer bijdraaien.

Nadat de Fransen verdreven waren, probeerde het herenigde Nederland een dubbele standaard in te voeren. De gulden werd de basis van het muntstelsel en bevatte 9,61 gram zilver. Het gouden tientje bevatte 6,056 gram goud. Vanwege het wantrouwen tegen bankbiljetten kwamen zogenaamde muntbiljetten in gebruik. Deze waren volledig gedekt door de muntstukken die op het biljet vermeld werden.

In de praktijk bleek dit dubbele systeem slecht te werken. Het zilvergehalte in de gulden werd verscheidene malen aangepast tot Nederland in 1850 besloot op een zilveren standaard over te stappen en alle gouden munten uit de handel te halen. De reden was dat in Nederlands-Indië een sterke vraag naar zilver bestond hetgeen de zilverwaarde op peil zou houden.

Toen in 1871 Duitsland echter alle zilvergeld uit roulatie nam en het zilver op de vrije markt verkocht, daalde de zilverprijs snel. De gulden, die wegens de zilverwaarde vrij door iedereen geslagen mocht worden zakte hierdoor snel in intrinsieke waarde. De vrije aanmunting werd abrupt door de regering verboden, maar de Tweede kamer wilde vasthouden aan de zilverstandaard in verband met de munteenheid met Nederlands-Indië.

In 1875 voerde Nederland dan toch de gouden standaard in waarbij alleen goudgeld vrij geslagen mocht worden, maar alleen als 300 kilo goud bij de Munt werd ingeleverd. Het zilvergeld, waarvan de zilverwaarde ver onder de muntwaarde was gedaald, werd nu tekengeld, dat alleen door de staat aangemaakt mocht worden. Nederlands-Indië behield de zilveren standaard.

De gouden standaard van hoogtepunt naar crisis (1901-1932)

Tegen 1900 was de behoefte aan een geldschieter in laatste instantie voor de meeste belangrijke geïndustrialiseerde naties duidelijk geworden. Het belang van een centraal bankwezen in het financiële systeem werd grotendeels aangetoond door voorbeelden zoals toen de Bank van Engeland Barings Bank redde nadat die een omvangrijk verlies in Zuid-Amerika had geleden en faillissement dreigde. Alleen de Verenigde Staten hadden nog geen centraal bankensysteem.

Er waren incidentele schrikreacties sinds het eind van de depressies van de jaren '80 en '90 van de 19e eeuw geweest die sommigen aan de centralisatie van productie en bankwezen toeschreven. Het verhoogde niveau van industrialisatie en imperialistische kolonisatie, had echter ook gediend om hogere levensstandaarden te brengen. Vrede en de welvaart regeerden in het grootste deel van Europa, alhoewel onrust groeide ten gunste van socialisme en communisme vanwege de uiterst ruwe samenleving in de vroege industrialisatie.

Dit kwam tot een abrupt einde met de uitbarsting van de Eerste WereldoorlogGroot-Brittannië werd bijna onmiddellijk gedwongen om maatregelen te treffen die zouden leiden tot het geleidelijk aan afstappen van zijn gouden standaard, die de omzetbaarheid van biljetten van de Bank van Engeland vanaf 1914 beëindigt. Tegen het eind van de oorlog was Engeland overgestapt op een reeks fiatvaluta-verordeningen, die postwissels en schatkistcertificaten als geld instelden. De behoefte aan steeds grotere oorlogsmachinerie, met inbegrip van slagschepen en munitie, leidde tot inflatie. Regeringen antwoordden door meer geld te drukken dan in goud zou kunnen worden afbetaald, effectief weddend op het winnen van de oorlog en het terugkopen uit herstelbetalingen, zoals Duitsland in de Frans-Pruisische oorlog had. Zowel de VS en het V.K. stelden een verscheidenheid van maatregelen in om de beweging van goud te beheersen en het bankwezen te hervormen, maar beide werden door de kosten van de oorlog gedwongen om gebruik van de gouden standaard op te schorten. Het Verdrag van Versailles legde Duitsland en de verslagen Centrale Mogendheden bestraffende herstelbetalingen op, en Frankrijk hoopte deze te gebruiken om zijn verbrijzelde economie opnieuw op te bouwen, gezien veel van de oorlog op Franse grond was gestreden. Duitsland dat het opbrengen van veel van zijn goud voor herstelbetalingen in het vooruitzicht zag, kon de gouden "Reichsmark" niet meer slaan, en ging over op fiatvaluta. De reeks steunregelingen voor de gouden standaard in de jaren 20 zou genoeg stof zijn voor een boek op zichzelf met het plan Dawes dat door het plan Young wordt vervangen. In feite leende de VS, als meest weerbarstige positieve handelsbalansnatie, het geld aan Duitsland om Frankrijk te betalen, zodat Frankrijk de Verenigde Staten weer kon betalen. Na de oorlog leed de republiek van Weimar aan hyperinflatie en introduceerde "Rentenmarks", een activamunt, om het te stoppen. Deze werden uit de omloop teruggetrokken ten gunste van een herstelde gouden Reichsmark in 1924.

In het V.K. werd het pond in 1925 teruggebracht op de gouden standaard, door de enigszins aarzelende minister van financiën Winston Churchill, op advies van destijds conservatieve economen. Hoewel een hogere goudprijs en een significante inflatie volgen op het einde van de gouden standaard in de Eerste Wereldoorlog, keerde Churchill terug naar de standaard met de vooroorlogse goudprijs. Voor vijf jaar voorafgaand aan 1925 werd de goudprijs kunstmatig op het vooroorlogse niveau gehouden, wat betekende dat een significante deflatie op de economie geforceerd werd.

John Maynard Keynes was één van de economen die tegen de invoering van de vooroorlogse goudprijs pleitte waarbij hij geloofde dat de wisselkoers veel te hoog was en dat de monetaire basis zou instorten. Hij noemde de gouden standaard "dat barbaarse relikwie". Deze deflatie wijdde over alle resten van het Britse Rijk uit waar nog het Pond sterling gebruikt werd als primaire rekeneenheid. In het V.K. werd de norm opnieuw verlaten in 1931, Zweden verliet de gouden standaard in 1929, de VS in 1933, en ook andere naties werden, op de ene of de andere manier, gedwongen van de gouden standaard af te stappen.

Als onderdeel van dit proces verboden vele naties, met inbegrip van de VS, privé-eigendom van grote goudvoorraden. In plaats daarvan moesten de burgers slechts wettelijke betaalmiddelen in de vorm van centrale bankbiljetten te hebben. Terwijl deze maatregelen als nationale noodsituatie werden uitgelegd, was het tegelijkertijd controversieel en nog steeds zijn er mensen die het als onwettige en ongrondwettige confiscatie van privé-eigendom beschouwen.

De Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog (1933-1945)

In 1933 markeerde de Conferentie van Londen het einde van de internationale gouden standaard zoals deze zich op dat moment had ontwikkeld. Terwijl het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten uiteindelijk wilden terugkeren naar de gouden standaard, waarbij president Franklin Delano Roosevelt zei dat een terugkeer naar internationale stabiliteit "op goud" moest worden gebaseerd - was geen van beide bereid dit onmiddellijk te doen. Frankrijk en Italië stuurden beide delegaties die aandrongen op een directe terugkeer naar een volledig inwisselbare internationale gouden standaard. Een voorstel ging rond om de wisselkoersen tussen FrankrijkGroot-Brittannië en de Verenigde Staten te stabiliseren en te baseren op een systeem van trekkingsrechten, maar ook dit draaide op niets uit.

Het centrale punt dat ter discussie stond was de waarde die de gouden standaard aan zou moeten nemen. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Cordell Hull werd opgedragen te eisen dat de reflatie van prijzen plaats zou vinden voordat de gouden standaard weer ingevoerd zou worden. Er was ook een diepgewortelde verdenking dat Groot-Brittannië gunstige handelsregelingen in het Britse Gemenebest zou gebruiken om fiscale discipline te ontwijken. Aangezien de ineenstorting van de gouden standaard op dat moment werd toegeschreven aan het feit dat de VS en het VK een kunstmatig lage goudvoorraad probeerden te handhaven, werd de overeenkomst onmogelijk. Een ander fundamenteel meningsverschil was de rol van importtarieven in de ineenstorting van de gouden standaard, waarbij de liberale regering van de Verenigde Staten het standpunt innam dat de acties van de vorige Amerikaanse regering de crisis hadden verergerd door importbarrières op te heffen.

Nazi-Duitsland gebruikte goud dat van minderheden werd geplunderd om zijn oorlogsinspanningen te financieren. Dat was onderdeel van de Duitse pogrom tegen JodenzigeunershomoseksuelenJehova's getuigen, lichamelijk of geestelijk gehandicapten, Slavische burgers en anderen. Zelfs de gouden kiezen werden uit de monden van de lijken in de gaskamers getrokken. Onder de internationale banken die gouden stortingen uit deze bron hebben verhandeld, waren enkele Zwitserse banken. Het goud werd daartoe gedeponeerd bij de Reichsbank en als basis voor uit te geven biljetten gebruikt, die als geld geaccepteerd moesten worden. Het Reich greep vervolgens in op de lonen en prijzen, wat door invoering van straffen als internering in gevangeniskampen kracht werd bijgezet, om te voorkomen dat deze "Mefofinanciering"hyperinflatie zou veroorzaken.